Stom stom stom, alles is stom!

Tegen beter weten in ben ik toch bij berghut Alan gaan slapen, Planinarski dom Alan. Ik was gewaarschuwd dat het een ongezellige boel is met onverschillige, ongeïnteresseerde mensen. Ook had ik gelezen dat er geen electriciteit of sanitaire voorzieningen zijn en dat het water tegen het einde van de zomer op of in slechte staat kan zijn. De hut ligt aan een weg en het zou er stikken van dagjesmensen.

Nou ja, dacht ik, hoe erg kan het zijn? Ik vind het niet erg als een plek erg “basic” is, het is in mijn ogen bijzonder als mensen ervoor kiezen zonder electriciteit en moderne technologieën te leven. Bovendien zeggen en vinden mensen zoveel en daar word ik af en toe helemaal murw van.

Op mijn gemak vertrok ik bij Scorpovac, het makkelijk bewandelbare Premužiceva Staza slingerde rustig aan naar boven en liet tussen de vele dichtbegroeide donkere bossen af en toe een adembenemend uitzicht over Velebit en de zee zien. Het pad, de planten en de bomen alles is nog nat van de regen van afgelopen nacht. Hier en daar een beetje glibberig, maar eigenlijk vind ik het heerlijk dat het niet meer zo schreeuwend heet is en dat er wat meer vocht in de lucht zit.

Voor ik het door heb ben ik al bij de volgende sklonište, Ogradenica. Een bordje geeft aan dat het twintig minuten omhoog is. Vast een mooi uitzicht en het schijnt een leuk hutje te zijn. Het is gek hoe het werkt, soms wil ik niets liever dan de hele dag bij een mooi hutje zitten en verlang ik naar het tijdloze van geïsoleerde plekken. Op andere momenten, zoals vandaag, wil ik doorlopen. Ik heb een lekker tempo, geniet van de trail, van de omgeving, van de lucht, van de geuren van de kruidige planten. Ik geniet zelfs van bossen die me als het ware opsluiten en afsluiten van de bergen. Het voelt machtig om hier te zijn, op deze oude weg in deze sterke, karakteristieke omgeving. Dus loop ik door, door over de Premužić trail naar Alan.

Een aantal kilometer voor de trail de weg kruist, verandert de omgeving. Grote witte rotsblokken nemen het over van de bomen en de steile bossige afgronden maken plaats voor glooiende groene hellingen. Waar het landschap opentrekt, trekt de lucht dicht. Vlak voordat ik bij de afslag naar het peakje van de dag aankom, trekt er een dik wolkendek over. En blijft daar. Het mag gewoon niet zo zijn, dat peakduiveltje op mijn schouder gunt me nog steeds geen uitzicht.

Vlak voor ik bij Alan aankom begint het te druppen. Ik heb in theorie nog tijd om door te lopen naar de volgende shelter, Rossijeva sklonište. Ik twijfel, omdat Tihomir, de man die in Scorpovac woont heeft gezegd dat er vlooien zitten en dat ik het water niet moet drinken, er zouden dode puheva in kunnen zitten. Om me nog meer stuipen op het lijf te jagen, voegde hij er aan toe dat ik ook niet moest kamperen vlak onder de shelter, daar zou het stikken van de beren…

Ahh, ik word zo moe van al die waarschuwingen, adviezen en weet ik het wat nog meer. Het is en energieslurpend proces om continue alles in overweging te nemen en een eigen besluit te nemen. Vandaag heb ik er geen zin in, ik blijf bij Alan. Ja. Bovendien blijk ik toch al ruim twintig kilometer gelopen te hebben. Het is wel even best allemaal.

Koffie. Op het terras is duidelijk geen bediening dus loop ik naar binnen. Het ziet er best knus uit, een kleine zitkamer/keuken waar een groepje oude mensen smakelijk bonensoep met worst aan het eten zijn. Oeh, eigenlijk heb ik ook honger. Eerst koffie. Ik begrijp niet goed wie er aan het werk is en wie de gast. Het is één groot kakelfestijn. Niemand merkt mij op. Voorzichtig zet ik nog een paar stappen naar binnen, meteen word ik omver gelopen door een dikke vrouw met een mand brood in haar handen omver gelopen.

“Sorry” zeg ik “can I order a coffee here?” Een nietbegrijpende blik. “Kafa?” “Da, da.” En de vrouw pakt de dzezva van het fornuis en plempt een plons koffie in een espresso kopje. Een beetje beteuterd pak ik het aan. “Soup?” vraagt de vrouw. “Later, zometeen” probeer ik, maar ze heeft al een bord met een grote soeplepel volgegooid. “Wurst?” “Da da!” Heerlijk Duits, Engels, Kroatisch – alles door elkaar. “35 kuna” meldt de vrouw. Ik had geen idee hoe ik met het bord soep in mijn ene hand en het kopje koffie waarvan ik geen druppel wilde morsen in de andere een gebaar kan maken dat ik zo kom betalen. Ik had de neiging om “polako, polako” te zeggen, maar ik hield me in en liep naar buiten om mijn portemonnee te pakken.

De hele dag heb ik heerlijk onbezorgd gelopen. Genoten. Binnen een kwartier voel ik niets meer van van deze ontspanning. Mijn humeur slaat om, ik voel me nier op mijn gemak. Daar zit ik dan met mijn kopje koffie waar ik niet rustig van kan genieten, omdat mijn soep dan afkoelt. Stom stom.

Een mannelijke solo-wandelaar naast me kijkt verlekkerd naar mijn soep en besteld hetzelfde. De vrouw van de hut gaat er automatisch vanuit dat we bij elkaar horen en legt zijn placemet naast de mijne neer. Ik heb eigenlijk geen zin in contact, ik wil alleen zijn. Alleen met mijn koffie en mijn soep. De vrouw wenkt me naar binnen en geeft me een servet met “kruh”, drie sneetjes brood. Ik moet het met mijn buurman delen, gebaart ze. Hmpff.

Ik kan niet zo goed uitleggen waarom ik me ineens zo “blehhhh” voelde. Als ik opschrijf wat er allemaal mis met de hut en de mensen was, voelt het als een onredelijke klaagzang van een verwend meisje. Er hing een “vibe” waar ik niet blij van werd en waar ik me niet goed overheen kon zetten. Waarschijnlijk omdat ik geen kant op kon, geen keuze had en de mensen van de hut dit wisten. Daardoor hoeven ze geen moeite te doen om het naar je zin te maken. Ze weten dat de mensen toch wel blijven, gezien er geen andere opties zijn.

Dit uitte zich in mijn beleving in van alles. Het kleine kopje koffie met meer drab dan koffie, bijna de moeite niet om op te drinken, tenzij je “Bosnian style” de dzezva op tafel zet. Maar hier bleef die op het vuur staan. Puur om je te tarten, want toen ik een half uur later binnenkwam om mijn bord terug te brengen, zag ik hoe de koffie door de gootsteen werd gespoeld. Ik begon te koken van binnen.

Kon ik alsnog doorlopen? Het was vijf uur. Drie uur naar de volgende hut, shelter. Met vlooien. Hmm. Alsof de huttevrouw mijn twijfel rook, begon ze paspoorten te verzamelen van de mensen die bleven slapen. Kamperen was waar ik het meeste zin in had. Mijn eigen plekje, mijn fijne groene huisje. Een paar dagen eerder had een groep Nederlandse wandelaars verteld dat dat je voor een klein bedrag bij de hut kon kamperen. “No camping. National Park. Forbidden.” En ik werd streng aangeken. “Maar in de tuin..” probeerde ik nog. “NO!” Duidelijk.

als-het-regent-is-het-nat
Als het regent is het nat

Ok Eva, nu is het tijd om te stoppen met mokken. Gedwee liep ik mee naar boven naar de slaapzaal. Een lager. Samen met een Duits echtpaar uit het Zwarte Woud, een net getrouwd koppel uit Oostenrijk en de Tjechische solowandelaar probeerden we het zo comfortabel mogelijk te maken. Niemand was echt blij, maar niemand durfde het hardop uit te spreken. Allemaal bang om voor verwaande Westerse toerist uitgemaakt te worden. Er hing een gespannen sfeer die niet met een flauw grapje op te klaren viel.

Ik hield het niet meer. Gooide het raam open en uitte mijn verontwaardigingen. We zaten in een donker hol, veel te dicht op elkaar. Geen electriciteit, geen licht en geen frisse lucht. Het toilet is ergens buiten, 500meter lopen, om water moest je smeken en dan werd met tegenzin je drinkfles voor de helft gevuld. Binnen was geen plek om te zitten, buiten was het koud en nat. De matrashoes ronduit smerig. Dubieuze vlekken duidelijk zichtbaar, maar niemand die er iets aan durfde te doen.

Ook ik ben alles behalve assertief op dit soort momenten. Zeker als niemand je bijvalt. Beschaamd trok ik me terug, het lag blijkbaar aan mij. Ik kon me niet over mijn eigen negatieviteit heen zetten.

Het maakte me boos dat ik vijftien euro moest betalen terwijl ze helemaal geen kosten maken. Ik kon werkelijk niet begrijpen dat er prachtige shelters zijn zoals Ždrilo en Crnopac die gebouwd en onderhouden worden door vrijwilligers, liefhebbers van de bergen waar je niets voor hoeft te betalen. En er tegelijkertijd berghutten bestaan die gerunt worden door sacherijnige oude mensen die in de zomermaanden genoeg geld voor twaalf maanden proberen te verdienen. De “serviced hut” Alan waar honderden mensen komen en zullen blijven komen, was voor mij een regelrechte teleurstelling. Ik werd er benauwd en verdrietig van, want dat is wat er gebeurt als ik boos ben. En ik word boos wanneer er een oneerlijk spelletje wordt gespeeld. Meestal met macht en geld.

Stom stom stom, alles is stom! Zo dat lucht op. Ik wilde niet de rest van mijn avond laten verpesten door mijn eigen rothumeur, dus greep ik naar de noodoplossing. Luisterboeken. Yes, Jan Wolkers je mag weer!

Toen de vrouw des huizes de volgende morgen vroeg of ik goed had geslapen “dobro spavanje?” had ik maar één antwoord, “katastrofe!” Dit leek ze te begrijpen, maar ze ging er niet op in. Ik betaalde de koffie, soep en overnachting en ging zonder te bedanken of gedag te zeggen op pad. Met het laatste stukje Premužićeva Staza verdween al mijn murw- en blehhheid als sneeuw voor de zon. De natuur maakt alles goed, zelfs wanneer voor de rest alles stom stom stom is. 😉

Haha, tot zover mijn ongenuanceerde geraas!


2 thoughts on “Stom stom stom, alles is stom!

  1. Charlotte Pennings Beantwoorden

    Dank je wel voor je eerlijkheid Eva. Heel herkenbaar! Ik ken Kroatie niet maar elk woord dat je schrijft heb ik ook wel eens zo ervaren in een andere situatie

    1. EVAdinarica Project Beantwoorden

      🙂 Het is zo fijn om te horen dat ik niet de enige ben! Ik denk dat dit niet eens met Kroatië te maken had, het kan overal voorkomen.. MAAR hoe verder je naar het oosten gaat, hoe gastvrijer de mensen!

Geef een reactie